The Emperor’s new castle, part I – the Haut-Koenigsbourg in Alsace

From Ht. Koenigsbourg castle, you can see across the Alsace plain to Germany's Black Forest and Kaiserstuhl (Emperor's Chair)
From Ht. Koenigsbourg castle, you can see across the Alsace plain to Germany’s Black Forest and Kaiserstuhl (Emperor’s Chair)

Alsace, a beautiful region on France’s north-eastern edge, is blessed by a sunny climate, vineyards that produce some of the world’s finest whites, and picture-perfect villages of half-timbered houses that have overflowing flower baskets on every window sill. But Alsace’s wealth, and its strategic location on the left bank of the Rhine and at the foothills of the Vosges Mountains,  have also caused it to be the focus of land-grabbing campaigns by both French and German rulers. In fact, although originally part of the (German) Holy Roman Empire, Alsace has been forced to switch sides between France and Germany so many times since the days of Louis XIV that even many locals have lost count.

Vineyards are never far away in Alsace - like here, directly behind Turckheim's Grand'Rue
Vineyards are never far away in Alsace – like here, directly behind Turckheim’s Grand’Rue

In 1870, the Franco-Prussian war ended up in the creation of the German Reich, and caused Alsace, and its sister region of Lorraine, to be attached to Germany. By the time Wilhelm II was crowned German Emperor in 1888, the Alsatians’ hearts and minds had still not exactly warmed to their new rulers. In a curious mix of Romance/Germanic cultures, most Alsatians had been quite happy to be French, even though the local language, Elsässisch (which is still spoken by older people today) is a German dialect.

The castle seen on a particularly grim day. Due to its situation far above the plains below, you may end up with your head in the clouds.
The castle seen on a particularly grim day. Due to its situation far above the plains below, a visit can get you right into the clouds

Cue Wilhelm’s passion for royal PR. Very much aware of how new the German imperial title was, and how tentative its recognition, he grabbed every opportunity of legitimizing it with links to his forebears. A Roman emperor in the family tree would have been perfect, but failing that, any link to the Staufen rulers of the High Middle Ages would also do. And that is how Wilhelm recognized a perfect opportunity for educating the population of Alsace when the city of Sélestat, some 70 km south of Strasbourg, presented him with the ruins of the Hohkönigburg (its German name, literally High Kings’ Castle) – which was once upon a time owned by Barbarossa, the most famous Staufer Emperor of all.

This huge castle, perched atop the ridge of the Vosges and looking down on the Alsace plain and over the Rhine to the German Black Forest, was in ruins since the tender ministrations of Louis XIV’s troops, but it had an imperial pedigree that made it very much fit for Wilhelm’s nation-building purposes.

Bodo Ebhardt's drawings of the ruins and plans for reconstruction
Bodo Ebhardt’s drawings of the ruins and plans for reconstruction

He set about restoring it in much the same way as he (and his grandfather, Wilhelm I) rebuilt the Kaiser-Pfalz at Goslar: with a heavy-handed nationalist touch. The additional twist in the case of this particular symbol of Germanness was its location at the very western fringe of the Empire – as a counterweight of sorts to the Marienburg in current Poland (a castle I hope to pay a visit for this blog later on). He gave the job to Berlin architect Bodo Ebhardt, who specialised in restoring castles. Ebhardt is the German equivalent of Eugène Viollet-le-Duc – another 19th century restorer of historical treasures, and similarly accused later on of violating the historical substance of the buildings he touched.

Today, of course, Alsace is very much French again. Since World War II, school children have been taught exclusively in French, which means that Elsässisch is on the point of extinction. One elder wine merchant told me some fifteen years ago that he was only able to communicate with his grandchildren in his own language once they started learning German in high school.

Wilhelm II was not shy to sign the works he instigated
Wilhelm II was not shy to sign the works he instigated

The museum that Haut-Koenigsbourg has been ever since Wilhelm finished its restoration in 1908 got the same treatment. Until a few years ago, La République Française completely ignored its Wilhelmine history and treated it as an example of a mediaeval castle – with tournaments, pageantry and a book and gift shop full of knights’ armour for children and books on chivalry.

At last returned to the castle he had restored - Kaiser Wilhelm II.
At last returned to the castle he had restored – Kaiser Wilhelm II.

I was delighted to find that on my visit this year, the focus of the exhibition, and also the story told by the tour guides, had shifted to the castle’s more recent political history. There were displays on the restoration by Ebhardt, there were some infographics on the German Reich, and there even was a life-size cutout of the Kaiser himself!

Finally, I was also able to get a good photograph of the famous fender that Wilhelm had installed on his last visit to Haut-Koenigsbourg, in April 1918. The inscription reads “Ich habe es nicht gewollt WII”, or “I did not want this”. It is still not clear exactly what the Kaiser meant. Some pundits say the statement refers to the castle’s tasteless restoration, but the most common interpretation of the inscription today is that it is an apology of sorts for the atrocities of World War I.

Wilhelm II's famous fender from 1918 at Haut Koenigsbourg castle. The text translates as "I did not want this".
Wilhelm II’s famous fender from 1918 at Haut Koenigsbourg castle. The text translates as “I did not want this”.
Advertisements

Het verhaal van Irma Heinis-Walter – John le Carré tussen Purmerend en Oost-Berlijn (in Dutch)

Toen ik op een mooie zondagochtend aan mijn racefietsrondje vanuit Berlin-Mitte begon, moest ik even wachten bij het stoplicht op de kruising van de Gustav-Adolf-Strasse en de Langhansstrasse in Weissensee. Vanaf het bankje van haar rollator, geparkeerd voor de bakker, sprak een nette oude dame me in het Duits aan: “lekker weertje om te fietsen, hè meneer?” Ze vroeg of ik Berliner was, en toen ze hoorde dat ik uit Nederland kwam zei ze stralend: “Ik ook!”

Inge (links, 87) en Irma (90) voor hun oude huis aan de Gustav-Adolf-Strasse 17 in Weissensee
Inge (links, 87) en Irma (90) voor hun oude huis aan de Gustav-Adolf-Strasse 17 in Weissensee

Toen wilde ze weten waar ik in Nederland vandaan kwam, en voor ik het wist had ik m’n racefiets geparkeerd om het levensverhaal van Irma Heinis-Walter, want zo heet ze, aan te horen.

Irma, dit voorjaar met een groot feest 90 geworden, logeert een paar weken in Berlijn bij haar al even pronte zuster Inge (87), die zich al gauw met haar eigen rollator bij ons voegde, af en toe het hoofd schuddend over haar zuster, die er blijkbaar vaker genoegen in schept met wildvreemden over haar belevenissen te praten.

Kruising van de Gustav-Adolf-Strasse met de Langhansstrasse in Weissensee
Kruising van de Gustav-Adolf-Strasse met de Langhansstrasse in Weissensee

Irma leerde in 1945 haar Nederlandse echtgenoot in Berlijn kennen. In de chaos vlak na de oorlog was ze blij een baan als stenotypiste op het Nederlandse consulaat in Zehlendorf (in de Amerikaanse sector) te bemachtigen. Tot 1947 werkte ze op het consulaat, want toen kon haar man een goede baan bij de PTT in Nederland krijgen. Ze verhuisden naar Noord-Holland, waar ze drie zoons kregen. Eén van die zoons, niet toevallig leraar Duits geworden, heeft haar overigens voor de logeerpartij bij haar zus met de auto naar Berlijn gebracht.Inge en Irma Walter

Mevrouw Heinis-Walter vertelt dat ze omstreeks 1950 erg veel last van heimwee kreeg – naar Berlijn en naar haar familie. De DDR was toen net gesticht en visa waren heel moeilijk te krijgen. Toch deed ze een poging: omdat de reis vanuit Nederland door de Franse, Britse, én Russische bezettingssector zou lopen regelde ze vanuit Nederland visa voor al die gebieden. Tegen de wens van haar man in overigens, die (terecht, zoals later zal blijken) bang was dat zijn vrouw, eenmaal in Berlijn, niet meer terug zou kunnen komen.

Tot Marienborn verliep de reis voorspoedig, maar bij de grenspost aldaar wilden de DDR-autoriteiten mevrouw Heinis, met haar Russische visum, niet binnenlaten. Misschien omdat de DDR, zo kort na haar oprichting in 1949, haar tanden extra wilde laten zien?

Wat volgt is een verhaal dat John le Carré waardig is. Mevrouw Heinis, toen 25, zocht een eind verderop een landweggetje op, en wandelde zo illegaal de DDR binnen (de muur zou immers pas in 1961 gebouwd worden). Een vrachtwagenchauffeur gaf haar een lift naar Berlijn en zo klopte ze op een avond bij haar familie in de Gustav-Adolf-Strasse aan de deur.

Dat gaf natuurlijk consternatie, want als de Stasi erachter kwam dat haar familie onderdak verleende aan een illegale immigrante zouden ze in grote problemen komen. En bovendien kon Irma, vanwege het ontbreken van het juiste visum, ook niet zo maar meer terug over de grens naar het westen. Ook haar oude werkgever, het Nederlandse consulaat in Zehlendorf, kon officieel niets voor haar doen. Maar gelukkig wist één van haar oud-collega’s daar een ticket voor haar te bemachtigen op een vlucht van Tempelhof naar Hamburg. De kosten, 200 mark, moest haar Nederlandse familie voldoen op Schiphol. Zo vloog ze vanuit Berlijn terug naar het westen, waar ze de reis met de trein kon voortzetten.

Het winkelaanbod is in het oude buurtje van de zusters wel veranderd sinds de Wende...
Het winkelaanbod is in het oude buurtje van de zusters wel veranderd sinds de Wende…

Nu is alles anders. Zowel Irma Heinis als haar altijd in Duitsland gebleven zuster Inge zijn weduwe, en haar zoon brengt haar met de auto naar Berlijn als ze zin heeft om haar familie te zien. Inge en Irma wilden nog wel even poseren voor de deur van Gustav-Adolf-Strasse 17, het huis waar Irma kort, en Inge bijna haar hele leven gewoond heeft. Inge zegt: “mijn vader is hier gestorven, mijn moeder is hier gestorven, mijn man is hier gestorven, en ik sterf een stukje verderop” – ze heeft een paar jaar geleden een betere woning gekregen, een eindje verderop in de straat. Het was een voorrecht met de dames te spreken – wat heb ik als nieuwkomer in Berlijn (zelfs al was ik hier in 1992 voor het eerst) toch maar weinig van de geschiedenis van de stad meegemaakt!

Naschrift: om mevrouw Heinis dit verhaal te kunnen laten lezen, heb ik via internet contact gezocht met haar zoon. In zijn reactie noemde hij zijn moeder en tante ‘wandelende geschiedenisboeken’. Dat vond ik een mooie definitie van ‘oral history’, het vakbegrip onder historici voor het optekenen van ervaringen uit de mond van mensen die een gebeurtenis zelf hebben meegemaakt. Vaak een race tegen de tijd.

Dead Emperors’ HQ and the spires of Speyer Cathedral

Speer cathedral from the southwest. The west facade's restoration was finished last.
Speyer cathedral from the southwest. The west facade’s restoration was finished last.

Soon after calling my historical blog “Dead Emperors’ Society” – which started life as a students’ joke between friends – I realised that it doesn’t live up to its name much. The subjects of my posts are sometimes emperors, and true, they are invariably dead, but so far there hasn’t been much necrophilia (except for one hazy picture of Wilhelm II’s tomb in this post).

The West facade. Note the famous 'dwarf colonnade' towards the top of the Westwork. It runs all the way around the building.
The West facade. Note the famous ‘dwarf colonnade’ towards the top of the Westwork. It runs all the way around the building.

Until now. Because this week, on the return trip of our family holiday around Switzerland, the French Alps and Alsace, we made a stop at Speyer (or Spires) on the Rhine. This lovely town was a capital of sorts of the Salian dynasty – the family that supplied the Holy Roman Emperors between 1027 and 1125. Four of them (and another four from later dynasties) lie buried in the crypt of Speyer Cathedral.

Dead emperors - and someone actually brings them flowers!
Dead emperors – and someone actually brings them flowers!

The cathedral, the largest Romanesque one in the world since Cluny was destroyed, is a UNESCO World Heritage site, and it’s easy to see why. Because of its situation in the Rhine valley, and because the town doesn’t have many high rise buildings (except for a technology museum with a Lufthansa Boeing 747 mounted on a stick) the cathedral can be seen from far afield. As it would have been in the Middle Ages, again, except for the Jumbo.

From the Cathedral tower, you can see the Technikmuseum with its hallmark 747.
From the Cathedral tower, you can see the Technikmuseum with its hallmark 747.

The cathedral is huge, and completely dominates the quaint town centre. French troops destroyed it to such an extent during the Napoleonic wars (as they did, in fact, destroy Cluny) that it was no longer considered fit for religious service. At one point in the early nineteenth century, plans were even made to tear it down. Then a series of restorations set in – some less fortunate, some more so, until the cathedral ended up with a western facade that is reimagination of what its romanesque front must have looked like when it was built.

Nave, transept and river Rhine - a view well worth the 60 metres of steps
Nave, transept and river Rhine – a view well worth the 60 metres of steps

The cathedral has thus been externally complete since the late 1960s – but of course such a work of art is never finished, and fortunately, neither are the funds available for arts and culture in Germany. In 2012, the cathedral opened the next stage in its revenge on Napoleon: the Emperor’s Hall in the Westwork. Joining that, as a great public attraction, a new spiral staircase was built inside the south tower. Reaching 60 meters high, from the viewing platform at the top you get a great view of the Rhine valley, the hills of the Rhineland-Palatinate, and Heidelberg and the foothills of the Black Forest in the distance. It almost competes with the view of the eight dead emperors’ tombs down in the crypt…

The cathedral's Crypt is also the largest of its type.
The cathedral’s Crypt is also the largest of its type.